Joost Ector
Copyright: Maarten van Haaff
Joost Ector
Copyright: Maarten van Haaff

Vergrijsd

2 april, 9:00
Na even kort bijpraten bleek de reden voor dit onverwachte telefoontje: “Ons gebouw is nog geen tien jaar oud en de gevels zien er nu al niet meer uit. Dat kan toch niet?!” De verbazing van de gebouwbeheerder aan de andere kant van de lijn klonk gespeeld, maar de mijne was groot en echt. “Maar we hebben toch duidelijk uitgelegd dat het bedoeling was dat het hout zou vergrijzen?” vroeg ik. Dat viel inderdaad niet te ontkennen. Daarna kwam de aap snel uit de mouw: na herhaaldelijk proberen was het niet gelukt ook de nieuwe directeur hiervan te overtuigen en die overwoog inmiddels juridische stappen. Voor de zekerheid ging ik dus maar even kijken.

Net wat ik dacht: niks aan de hand. Goed gedetailleerd en mooi egaal vergrijsd, aan de kanten met minder bezonning een lichte, nauwelijks te vermijden groenzweem. Inmiddels zouden we zo’n gevel zelfs behoorlijk minder vlak uitwerken. Weliswaar niet ideaal voor de gelijkmatigheid van het verweringsproces, maar het oog wil ook plasticiteit en ritmiek. Dit was in ieder geval niets waar ik me voor zou hoeven schamen, laat staan verdedigen. Toch kon ik me, eerlijk is eerlijk, ook best voorstellen dat niet iedereen dit beeld zou kunnen waarderen.

Voor de meeste mensen geldt toch dat mooi verouderen betekent: onzichtbaar en onmerkbaar. Ook van nieuwe gebouwen verwachten ze dat ze er eeuwig uit blijven zien alsof ze nieuw zijn. Kleuren moeten helder blijven, glans mag niet verloren gaan. Materialen waar de tijd geen vat op krijgt beschouwen we als edel, want slijtage is armoe en dus uit den boze. Wat verouderd oogt of kapotgaat moet vandaag nog vervangen of gerepareerd – alsof er niets is gebeurd. We willen architectuur blijven zien als heroïsch, perfect en onverwoestbaar. Tegen beter weten in natuurlijk.

Inmiddels tekent iedere circulair bewuste architect houten gebouwen met mooi ontworpen patronen van ribben en dorpels in de gevels. We weten tenslotte dat het belangrijk is dat we massaal overstappen op biobased materialen. De impressies waarmee deze ontwerpen worden aangeprezen verraden vrijwel consequent een worsteling met de werkelijkheid. Steevast ziet de beplanting op maaiveld, gevels en dakterrassen er voluptueus uit, alsof ze al minstens twintig jaar heeft gefloreerd, terwijl anderzijds het hout nog bleek en rozig oogt, alsof het rechtstreeks uit de zagerij komt. We zijn er nog niet uit, blijkbaar.

Hoe anders ligt dat in de Japanse cultuur. Daarin kent men het eeuwenoude begrip wabi-sabi, een esthetisch concept dat juist waarde hecht aan imperfectie en verval, aan onnadrukkelijkheid en bescheidenheid, zelfs aan onvolledigheid en tijdelijkheid. Een hele reeks eigenschappen die in onze westerse wereld, waarin we doorgaans een schoonheidsideaal hanteren dat zijn oorsprong vindt in de klassieke Griekse cultuur, juist niet algemeen worden gewaardeerd. Wabi-sabi, een combinatie van woorden die in vertaling zoiets betekenen als ‘ingetogen schoonheid’ en ‘rustiek patina’, vindt zijn oorsprong in het Zenboeddhisme en werd vervolgens geperfectioneerd in de beroemde Japanse theeceremonie. Het is een uitgesproken complex concept dat door Japanners moedwillig ongrijpbaar wordt gehouden; de ratio is tenslotte juíst niet de weg waarlangs het zich laat verklaren.

Waar ik het ooit op de kop getikt heb mag Joost weten, maar ik bezit een mooi boekje over dit onderwerp, geschreven door Leonard Koren, een (destijds) in Tokyo woonachtige Amerikaan. Vanwege zijn doel met deze tekst, het ‘redden’ van wabi-sabi als uitstervende esthetische zienswijze, staat Koren het zichzelf toe om het credo “Those who know don’t say; those who say don’t know” in de wind te slaan en een bijzonder inzichtelijke vergelijking te maken tussen wabi-sabi en onze Westers-modernistische esthetische opvatting. In die inventarisatie zijn vooral de verschillen intrigerend. Tegenover de westerse voorkeur voor de ratio stelt wabi-sabi het intuïtieve. Tegenover glad en gepolijst staan verweerd en aards, zoals het nederige de voorkeur verdient boven het monumentale. Het relatieve wordt boven het absolute verkozen, evenals het organische boven het geometrisch vastomlijnde; en het eigenzinnig-persoonlijke wint het van het universeel-prototypische.

Heel inspirerend vind ik dat en volgens mij valt er iets wezenlijks uit te leren. De wereld van wabi-sabi is er een van oprechte nieuwsgierigheid naar alles wat niet direct klopt, past of conformeert, om dat vervolgens niet alleen welwillend te accepteren, maar zelfs te waarderen. Een eeuwenoude benadering die tegelijk verrassend actueel en relevant aanvoelt, en die als waardenkader voor de toekomstige groene, levende, natuur-inclusieve leefomgeving die we vandaag de dag zeggen te ambiëren, best eens vele malen geschikter zou kunnen zijn dan de staalharde perfectie die we nu nog zien als hoogste doel.

Maar ik maak me geen illusies. In de extreem competitieve machowereld van de architectuur heeft zo’n zachte, vergevende houding voorlopig weinig overlevingskansen. Doen we onszelf daarmee tekort?


Joost Ector is architect-directeur van Ector Hoogstad Architecten. Voor Architectenweb schrijft Joost Ector iedere maand een column, waarin hij ontwikkelingen die van invloed zijn op het architectenvak van duiding voorziet.