Kleur bekennen
Gisteren, 09:00
Rondstruinend door de Nijmeegse nieuwbouwbuurt Hart van Waalsprong beland ik in een straatje dat zo uit de film Barbie (2023) lijkt gevallen. De rijhuizen hebben er zuurstokroze raamkozijnen, voordeuren, daklijsten, brievenbussen en regenpijpen die associaties oproepen met een snoepfabriek; alsof er elk moment een suikerspin uit kan rollen.
Vrolijk als ik ervan word, was een aantal kopers van de woningen onaangenaam verrast door de kleur, vertelt architect Sandor Naus van bureau Monadnock, dat het ‘roze steegje’ zoals het inmiddels bekendstaat, ontwierp. Op de artist’s impressions in de verkoopbrochure was een gedempte tint gebruikt, dit was shocking pink! Naus heeft begrip voor hun reactie; het is een uitgesproken kleur, waar je van moet houden, en die de bewoners niet mogen overschilderen; de huizen zijn immers ontworpen als een blok.
Het voorval zegt veel over de impact van kleur op het straatbeeld en de heftige emoties die kleur kan oproepen. Toch wordt vaak gedaan alsof kleur er niet toe doet. Sterker: tijdens mijn studie Bouwkunde in Delft werd er geen woord aan vuil gemaakt. We leerden hoe je vanuit een Programma van Eisen en de locatie tot een ‘concept’ komt, en hoe je dat vertaalt naar plattegronden, doorsneden, gevels en een draagconstructie, tot en met de materialen en een aantal 1:5 details. Waarbij de ongeschreven regel was dat je presenteerde in zwart-wit tekeningen. Als je die ging ‘opleuken’ met kleur, gold dat als een zwaktebod – een lapmiddel. Je ontwerp was dan niet sterk genoeg.
Nu ik eraan terugdenk, vind ik het bizar. Waarom vertelde niemand over de vele mogelijkheden om met kleuren ruimtelijke ervaringen te creëren; diepte, licht, schaduw, signaalfuncties, symboliek, sferen? Of over de bewezen invloed van kleurgebruik op de gemoedstoestand en het welbevinden van mensen?
De verklaring moeten we zoeken in – het clichébeeld van – het modernisme, waarbij het gebruik van wit een symbool werd voor de breuk met het verleden en de daarbij horende neostijlen en donkere interieurs. Als er al kleur gebruikt werd, dan moest het rood, geel en blauw zijn; het primaire kleurenpalet van De Stijl – aangevuld met zwart, wit en grijs – waarmee de ontwerpers streefden naar een universele, abstracte beeldtaal, die losstond van de natuur.
Natuurlijk waren er uitzonderingen op deze regel; neem het werk van de Duitse dwarsdenker Bruno Taut, die bonte kleuren introduceerde als een vast, expressief element in de sociale woningbouw. Maar ondertussen werden er veel meer nieuwe en bestaande panden wit (over)geschilderd. Na het intermezzo van de seventies, met zijn bruin, oranje en paars, ging in de jaren ‘90 – met dank aan interieurontwerper Jan des Bouvrie – opnieuw de witte latex op de muren. Inmiddels is beige het nieuwe wit; op Funda zie ik overal dezelfde neutrale, karakterloze interieurs.
Naus merkt dat opdrachtgevers zich risicomijdend opstellen. Bij een ander woningbouwproject waaraan hij werkt, gaf de verkoopafdeling van de opdrachtgever hem slechts twee opties voor de kozijnen: donkergrijs of wit; kleuren waaraan niemand aanstoot neemt. Maar daarmee laat je ook kansen liggen. Dat toont Monadnock met een reeks recente, kleurrijke projecten. In Hart van de Waalsprong geniet ik van een plint met zeepgroene tegels, korenbloemblauwe raamkozijnen en botergele zonneschermen, omlijst door fraai metselwerk en diepe neggen.
Het zijn standaard RAL-kleuren, die iedereen kan toepassen, zegt Naus. Maar om ze tot hun recht te laten komen, moet je wel weten hoe. De ontwerpen van Monadnock zijn een oproep om je te verdiepen in de werking van tinten en texturen. Dat vergt onderzoek, wellicht enige bijscholing. Maar in essentie is kleur een van de meest eenvoudige en betaalbare manieren om een ontwerp te verrijken.
Een bewoonster die binnenloopt bij het appartementengebouw Front – ze draagt een knalpaars deux-pièces – vertelt dat zij elke dag he-le-maal blij wordt van de roze kozijnen.
Kirsten Hannema is architectuurcriticus en schrijft voor diverse media waaronder De Volkskrant.