De Oude Kerk, het oudste gebouw van Amsterdam, kent een andere geschiedenis. Het werd in 1306 als houten kapel gebouwd en door de eeuwen heen meerdere keren aangepast, uitgebreid en herbouwd; de kerk evolueerde voortdurend en weerspiegelde telkens de stijl en voorkeuren van de
toenmalige tijd. Haar aanpassingsvermogen bleek haar levenselixer te zijn, niet alleen fysiek, maar ook sociaal en mentaal bleef het gebouw het centrum van de stad. Schilderijen van Emanuel de Witte tonen de kerk als plek voor arm en rijk, man en vrouw, waar gedoopt werd en begraven. Het was geen statisch gebouw, maar een ruimte die door en voor haar gebruikers werd gevormd. Niet voor niets werd de kerk ‘de woonkamer van de stad’ genoemd.
In 2012 werd de Oude Kerk een museum en volgde daarmee een bredere trend van Nederlandse kerken, die door de secularisatie gedwongen worden nieuwe functies aan te nemen, zoals die van bibliotheek, woonhuis, speelhal of concertzaal.
Een van de beroemdste tentoonstellingen die de Oude Kerk tot nu toe organiseerde, was die van de Japanse kunstenaar Taturo Atzu, die een groot publiek toegankelijk plateau op het dak van de kerk had gebouwd. Bezoekers konden opeens delen van de kerk van dichtbij bekijken, die vanaf de straat verborgen blijven, en kregen hierdoor letterlijk en figuurlijk een nieuw perspectief op het oude gebouw en de stad. Vanuit conservatieve hoek klonk kritiek: 'De Oude Kerk wordt van de stad afgenomen!' Ik heb die kritiek altijd heel opmerkelijk gevonden, omdat het juist liet zien waarom het oudste gebouw van Amsterdam zou oud was geworden: het voegt steeds een laag toe, transformeert, en beweegt mee met de tijd.