Na de overstromingen in het Duitse Ahrtal in 2021, waarbij 135 mensen omkwamen, lukte het de hulpdiensten dagenlang niet om het gebied te bereiken. Burgers waren aangewezen op elkaar. Burenhulp kwam op gang, maar niet overal even snel. In de delen waarin de ruimtelijke samenhang en de collectieve identiteit groter waren, zoals bijvoorbeeld in het oude centrum van Ahrweiler, lukte het sneller en beter elkaar te helpen dan bijvoorbeeld in Bad Neuenahr, een suburb vol vrijstaande huizen, losjes naast elkaar geplaatst,
verstopt achter schuttingen en hoge heggen. Het gemeenschapsgevoel was daar eenvoudigweg minder sterk.
Veel woonplaatsen in Nederland kennen hun oorsprong in de gezamenlijke strijd tegen het water. De bouwwerken waarmee het water werd bedwongen vormden vanaf het begin ook het sociale hart van de gemeenschap. Mensen woonden samen aan een dam, rondom een brink, op een terp, tegen een dijk of naast een brug. Publieke voorzieningen zoals kerken, beurzen en stadhuizen kregen een prominente plek aan de centrale open ruimte. In de 20e eeuw, toen de strijd tegen het water min of meer gestreden was, bleven invloedrijke stedenbouwkundigen zoals Berlage en Bakema zoeken naar manieren om de gemeenschap vorm te geven in een nieuwe tijd.
Pas in de jaren ‘90, toen individualisering en marktwerking in de samenleving opkwamen, werd het voor ontwerpers bon ton om afstand te nemen van het gemeenschapsdenken. In de huidige nieuwbouwwijken kun je prima wonen, maar staat privaat comfort voorop. En omdat ons sociale leven zich niet meer buiten afspeelt, maar vooral online, lijken we afgelopen decennia het vormgeven van gemeenschappen op grotere schaal verleerd. Het vuistdikke boek ‘Stand van de Stedenbouw’ door de BNSP, dat zowel terugblikt op de afgelopen 25 jaar en vooruitkijkt naar de toekomst, staat vol met verhandelingen over complexe hedendaagse ontwikkelprocessen en bodem-en-watersturend-ontwerpen, maar over het vormgeven van gemeenschappen gaat het nauwelijks.