In het middeleeuwse Antwerpen was de voedselketen stedelijk en circulair. Binnen de stadsmuren zorgden bewoners in tuinen en weitjes voor hun eigen voedsel waarna de menselijke uitwerpselen als kostbaar elixer werden verzameld en over de akkertjes uitgestrooid. De CO
2 footprint van deze voedselketen was minimaal.
Toen de stad groeide ontstonden er markten, strategisch gepositioneerd tussen de stad en het ommeland. Door de industriële revolutie volgde verdere schaalvergroting waarbij de relatie tussen stad en ommeland bleef: aan de stadsranden kwamen de slachthuizen en broodfabrieken
vanwaar de waar, via een fijnmazig netwerk van straten, kanalen en spoorlijntjes naar buurtwinkeltjes werd gedistribueerd. Totdat rond 1900 de riolering werd aangelegd was deze keten circulair: op de terugweg werden menselijke uitwerpselen de stad uitgereden.
Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de supermarkten en groeide de CO
2 footprint van het voedsel. Door mondialisering werden aan het einde van de 20e eeuw de laatste productielijnen verplaatst naar gespecialiseerde regio's of lageloonlanden. Kanalen werden gedempt, spoorlijntjes opgeruimd, het stedelijk slachthuisterrein kreeg een woonbestemming. Vandaag is ruim een kwart van de CO2-uitstoot van Antwerpen gerelateerd aan voedsel, een aanzienlijk groter aandeel dan een eeuw geleden.
Was de voedselvoorziening vroeger een vormende kracht van de stad, tegenwoordig laat deze geen sporen meer na, of het moeten de afgekruiste laad- en losplekken zijn op de stoep voor de supermarkt. Met de komst van gekoelde zeecontainers en zelfscankassa’s is ook de sociale interactie uit de voedselketen verdwenen. Per persoon veroorzaken we duizenden kilo's CO
2 per jaar en wanneer we het veevoer voor onze vleesconsumptie meerekenen, komt zo’n 75% van ons eten uit het buitenland.
Studies laten zien dat het niet nodig is om zoveel CO
2 uit te stoten en zoveel voedsel uit het buitenland te halen. Sterker nog, Nederland is groot genoeg om met minder emissies al het voedsel zelf te produceren. Uit de prikkelende studie Nederland Veganland van Berno Strootman blijkt dat we voldoende landbouwgronden hebben om 20 miljoen inwoners te voorzien van plantaardig voedsel en daarnaast ruimte over te houden voor de productie van biobased bouwmaterialen en natuur. Wel moeten we allemaal stoppen met het eten van dierlijke producten. Zeker weten dat we zo de wisselwerking tussen voedselproductie en onze leefomgeving weer beter gaan begrijpen.