Programmatisch gezien bestaat het museum uit een publiek toegankelijke sokkel, die fungeert als een overdekte agora, en een tentoonstellingstoren. Een belangrijk kenmerk van ons voorstel is hoe de openbaarheid van de sokkel zich voortzet tot de top van de toren, door
een reeks inclusieve tuinruimtes, toegankelijk voor iedereen die het gebouw wil bezoeken, en niet uitsluitend voor degenen die betalen om een tentoonstelling te bezoeken.
Het plantleven in de tuinen speelt een belangrijke rol in de energiestrategie van het gebouw en vult de kunst aan, waardoor er een verbinding ontstaat tussen kunst en natuur. De planten, die de lucht en het licht filteren, zijn essentieel voor de letterlijke en metaforische atmosfeer in het museum, om het gastvrijer en minder elitair te maken. In huiselijke omgevingen zijn planten, daglicht en frisse lucht doorgaans de natuurlijke metgezellen van kunst. In hedendaagse musea wordt kunst echter te vaak gepresenteerd in een antiseptische isolatie. We wilden de radicale traditie van bijvoorbeeld Willem Sandberg nieuw leven inblazen, die als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam planten in tentoonstellingsruimtes bracht en ze daarmee transformeerde tot inclusieve open huizen. Met de nabijheid en co-existentie van tuinen en kunst in ons museum creëren we spannende visuele relaties en brengen we de natuur terug in deze stedelijke omgeving. En we stellen ook de overbescherming van kunst in hedendaagse musea ter discussie.
De cascade van tuinen is een reeks
break-out rooms die fungeren als zogenaamde
third spaces voor de stad, de ervaring van de bezoeker accentueren en museumvermoeidheid verlichten. Het creëert ook plekken van ontmoeting en uitwisseling, tussen mensen en tussen mensen en planten.