“Wij krijgen vaak opdrachten voor tijdelijke paviljoens, waarbij meer ruimte is om te experimenteren”, legt Hester uit. “Juist vanwege hun tijdelijkheid vragen die paviljoens ook om een groot bewustzijn om een logische en passende materiaalstroom te vinden.” Maar, gaat ze verder, uiteindelijk zijn de meeste gebouwen op een bepaalde manier ‘tijdelijk’ te noemen.
“Als architect moet je je ervan bewust zijn dat de kans aanzienlijk is dat het gebouw dat je ontwerpt ooit gesloopt wordt”, stelt Hester. “Dan wil je natuurlijk niet dat er een berg afval overblijft. In een circulaire economie zou een architect zichzelf moeten zien als regisseur van materiaalstromen, waarbij het materiaal steeds een andere plek op aarde inneemt, maar wel zichzelf blijft als materiaal.”
Dat bijna alles tijdelijk is, blijft een wat onwennig idee, benadrukt Rune Lierman van Studio Architectuur Maken: “We zijn vaak niet in staat om langer dan een eeuw te overzien. Als een materiaal circulair is, ontstaan er fundamenteel andere mogelijkheden, zoals biobased materialen die kunnen terugkeren in het ecosysteem, of demonteerbare materialen die opnieuw kunnen worden ingezet. Als architect geef je vorm aan tijdelijkheid en verbind je je met alles wat er al is.”
Wánneer wélke herbruikbare materialen beschikbaar zijn – dat is bij circulair bouwen een grote uitdaging. “Er zit een soort onvoorspelbaarheid in de beschikbaarheid en geschiktheid van materialen”, herkent Jan. “Op materiaalniveau zijn de mogelijkheden eindeloos, maar zijn de mogelijkheden tegelijkertijd ook beperkt door de geschiedenis van het product. Het dwingt je uiteindelijk om de ontwerpvolgorde aan te passen: namelijk ontwerpen vanuit het materiaal, waarbij de ontwerp- en materiaalkeuzes parallel lopen. De beschikbare materialen beïnvloeden het ontwerp, en het ontwerp beïnvloedt de materialen die je zoekt en toepast.”