De bestaande stad biedt context in tijd en plaats, en deze is altijd sturend voor de ruimtelijke ontwikkeling van straat, buurt of wijk. De aanwezigheid van cultuurhistorie, stedelijk weefsel en gebouwtypologie, en daarmee de woonvormen met bijbehorende sociale structuren zijn de basis van het verder werken aan de bestaande stad. De ruimtelijke kenmerken van de woonomgeving, de vorm en structuur van de bebouwing, de indeling van de woningen; al deze typische eigenschappen bepalen hoe mensen zich een woonomgeving toe-eigenen en door de tijd heen steeds weer nieuwe vormen van gebruik vinden voor bestaande stedenbouwkundige en architectonische oplossingen. De kwaliteit en betekenis van die bestaande stad nodigt keer op keer uit om ruimtes opnieuw te gebruiken en bestemmen, vaak geïnspireerd op de oorspronkelijke ideeën die eraan ten grondslag lagen, die het stedelijk leven vanaf de bouw mede hebben vormgegeven.
We refereren daarom graag aan de ideologische grondbeginselen van de stedenbouw, waarnaar onze voorgangster Nathalie de Vries verwees in haar artikel van juni 2021: de kwaliteit van het vaak gemengde en diverse karakter van de bestaande stad wordt gewaardeerd “omdat veel vooroorlogse en vroeg-naoorlogse wijken ontsproten zijn aan een ideologie: een opvatting over de stad en de maatschappij,” stelt De Vries.7 Decennialang was de volkshuisvesting een belangrijke basis onder de stadsontwikkeling. In de wederopbouwperiode kwam daar het ideaal van de wijkgedachte bij. Vanuit die ideologie zijn diverse ruimtelijke kenmerken van de bebouwing evenals de stedelijke structuur gericht op de woonkwaliteit voor iedereen die erin leeft, op de relatie tussen binnen en buiten—tussen woning, straat en groen—en op de in die periode voor het eerst op grote schaal toegepaste principes van licht, lucht en ruimte, met de archetypische naoorlogse doorzonwoning ongetwijfeld als een van de grootste prestaties in de ruimtelijke ontwikkeling van ons land. Die kenmerkende kwaliteit mogen we niet uit het oog verliezen. Die prestatie tenietdoen zou verarming betekenen.
We kennen bijvoorbeeld de discussies over de half verdiepte balkons in naoorlogse portieketageblokken, die we graag terugzien in vervangende woonblokken, indien sloop-nieuwbouw aan de orde is. De Spirealaan in Groningen is een treffende case. Vaak beperkt het debat over die elementen zich tot de mogelijkheden en financiële onderbouwing van fabrieksmatig bouwen, dat vervolgens door supervisoren of bouwmeesters wordt gecorrigeerd en voorzien van aanbevelingen. Maar een dergelijk verengde kijk op de zaak zouden we ook kunnen omdraaien, als we stellen dat de industrie zichzelf buitenspel zet en bouwers blijkbaar niet in staat zijn om in te spelen op een groot deel van de bebouwing die in Nederland staat. Dit soort twistgesprekken komt niet verder dan gekissebis over het nut van architectonische expressie, zoals compositie, ritme, plastiek en dieptewerking terwijl de opgave begint bij context, woonomgeving, typologie, woonkwaliteit, ruimtegebruik, waardering en menselijk gedrag.
De werkelijke waarde van zo’n balkon is aan het begin van de twintigste eeuw geformuleerd, toen deze als onderdeel van een visie op het wonen en de maatschappij is ontworpen en gemaakt. Het biedt namelijk voor de bewoners beschutting tegen wind, regen of zon en geeft privacy, zo is deels ook terug te lezen in het boekje van Palmboom. Het is dus noodzakelijk om te blijven kijken naar de gelaagde betekenis van zo’n element voor bewoners, vooral in de ontwikkeling van de conceptuele bouw. Het zou merkwaardig zijn als we op basis van bouwsystemen, zouden besluiten dat we het maar iets minder nauw moeten nemen met de kwaliteit van onze woningen, dat we genoegen zouden moeten nemen met minder goede woonruimtes—vooral als bouwsystemen zich nestelen in de bestaande stad, waar nieuwe gebouwen zich altijd moeten verhouden tot de architectonische en stedenbouwkundige kenmerken van omgeving, zou dit een omgekeerd uitgangspunt vormen.
De opgave moet precies andersom zijn; we ambiëren een bepaalde woonkwaliteit, laten we met elkaar kijken hoe we die op de meest zorgvuldige, betaalbare en spoedige manier kunnen realiseren. We slaan de discussie kortom niet plat, maar trekken die volledig open en gebruiken breed gedragen kennis en ervaring om die klus aan te grijpen. We kunnen toch gewoon samen die ambitie formuleren, we kunnen toch als ontwerpers, bouwers, beleidsmakers en kwaliteitsborgers elkaar uitdagen en van elkaar leren, elkaar consulteren; we kunnen toch elkaars expertise aangrijpen om ons eigen werk beter te maken? We kunnen toch op zoek naar nieuwe typologieën, die wel systematisch gestandaardiseerd kunnen worden; prototypen die grootschalig toepasbaar zijn, maar specifiek en met voldoende karakter en kwaliteit toegepast kunnen worden?
Aanbeveling 3
Blijf het gesprek over typologieverrijking voeren, gedreven door brede inzichten over de gebruikswensen van mensen. Hierdoor verwachten wij het fabrieksmatig bouwen te kunnen verbeteren en vernieuwen, op een manier die past bij de beoogde snelle ontwikkeling. Investeer gezamenlijk in uiteenlopende typologieën en bouwvormen, zonder genoegen te nemen met woningen die een standaardindeling en een door de makers aangenomen beeldtaal meebrengen. Die aanname klopt doorgaans niet. Wees bewust van de waarden die uiteenlopende typen woningbouw genereren voor bewoners enerzijds en anderzijds voor de mogelijkheden van de reparatie van onze bestaande stad (die nog op grote schaal zal moeten plaatsvinden). Typologieverrijking kan een belangrijke bouwstroom op gang brengen.