Raad voor cultuur presenteert Vooradvies ‘nieuwe stijl’
18 april 2003, 11:09
Meer professionaliteit vraagt om minder regels
DEN HAAG – Minder gedetailleerde regelgeving en meer autonomie. Dat moet volgens de Raad voor Cultuur uitgangspunt zijn bij het bepalen van het beleid voor de kunst- en cultuursector. De sector is vitaler dan ooit en professionaliseert zich steeds meer. Dus moet de overheid zich terughoudend opstellen als het gaat om beleidsmatige sturing. Dat schrijft de Raad voor Cultuur in zijn Vooradvies ‘Cultuur, meer dan ooit’ dat de voorzitter van de Raad Winnie Sorgdrager 14 april overhandigde aan demissionair staatssecretaris van cultuur Cees van Leeuwen. Het Vooradvies bestaat uit een algemene inleiding en twaalf sectoranalyses. De nadruk ligt op de sectoranalyses, die voor het eerst in een dergelijke uitgebreide vorm worden gepresenteerd. In deze sectoranalyses wordt een beeld geschetst van alle aandachtsgebieden van de Raad, van musea tot theater en van archieven tot beeldende kunst. De Raad beschrijft per sector de stand van zaken, signaleert relevante ontwikkelingen en doet concrete aanbevelingen. Door deze sectoranalyses in een vroeg stadium uit te brengen, hoopt de Raad dat zij een rol spelen in het debat voordat de bewindspersoon van cultuur met zijn Uitgangspuntennota komt. Daarnaast vormen zij het kader voor de Cultuurnota-advisering voor de periode 2005-2008.
Resultaten
Aan de basis van de huidige Cultuurnota 2001-2004 ligt een sterke politieke sturing, vooral op het gebied van maatschappelijk bereik en toegang. De Raad constateert dat die sturing resultaat heeft geboekt. De verknoping van politieke en culturele doelstellingen heeft echter ook de autonome waarde van kunst en cultuur onder druk gezet. Bovendien leidde het tot ongewenst gedetailleerde regelgeving, sterke departementale sturing en omvangrijke bureaucratische en administratieve processen, zo schrijft de Raad in de inleiding van zijn Vooradvies.
Momenteel gaat het in de meeste culturele sectoren goed, als gekeken wordt naar kwaliteit, diversiteit, spreiding en toegankelijkheid. Volgens de Raad is het belangrijk die situatie niet te frustreren door van bovenaf teveel regels op te leggen. Vanzelfsprekend is er wel verschil tussen de verschillende sectoren, zoals niet alleen blijkt uit de sectoranalyses maar ook uit de cultuurprofielen van de landsdelen en van de grote steden. Is de sector goed georganiseerd, zoals bijvoorbeeld bij theater het geval is, dan kan meer worden overgelaten aan de sector zelf. Is er sprake van een meer versnipperde structuur, zoals in de filmsector, dan blijft een sterkere regie nodig. Hoewel integrale beleidsvorming belangrijk blijft, vraagt het diverse beeld dat uit de sectoranalyses naar voren komt, om een gedifferentieerde benadering van het culturele bestel en de afzonderlijke sectoren en instellingen.
Natuurlijk zijn er ook overeenkomsten. Verschillende sectoranalyses tonen aan dat er steeds meer spanning is ontstaan tussen de economische en inhoudelijke activiteiten van instellingen. Ook blijkt dat een te zwaar aangezette ambitie om het publieksbereik te vergroten de kerntaken van instellingen onder druk kan zetten. Het stellen van algemene prestatie-eisen moet dan ook worden vermeden: zo hoeft niet iedere instelling jongeren tot haar publiek te rekenen. Het gaat erom dat de culturele sector als geheel de Nederlandse samenleving bereikt.
Verantwoording
Minder regels betekent niet dat instellingen die subsidie ontvangen daarvoor geen verantwoording hoeven af te leggen. Bij de beoordeling van instellingen die een beroep doen op rijkssubsidie blijft het inhoudelijke en artistieke kwaliteitsbegrip voor de Raad leidend principe bij zijn advisering. De Raad vindt het daarnaast belangrijk dat instellingen zich niet loszingen van ontwikkelingen in de samenleving, maar aansluiting blijven zoeken bij wat er zich in de maatschappij voltrekt.
Verder is het volgens de Raad belangrijk dat iedereen onbelemmerd toegang heeft tot kunst en cultuur. Cultuureducatie kan mensen daarvoor de vaardigheden aanreiken. De Raad pleit er dan ook nadrukkelijk voor dat zowel de overheid als het culturele veld daar prioriteit aan geven. Omdat het volgens de Raad dan niet alleen om kinderen en jongeren gaat, moet het begrip cultuureducatie opnieuw worden gedefinieerd. Ook voor de publieke omroep is in dit opzicht een taak weggelegd. Meer dan tot dusver het geval is, moet de omroep zich ontwikkelen tot een belangrijk medium voor de overdracht van culturele kennis en vaardigheden.
De titel van het Vooradvies ‘Cultuur, meer dan ooit’ heeft een tweeledige betekenis. Er is meer cultuur dan ooit, en cultuur is meer dan ooit nodig als inspirerende kracht en betekenisgever in een snel veranderende samenleving.
Hieronder volgen de belangrijkste punten uit de sectoranalyses:
Archieven
Om de maatschappelijke functies van archieven optimaal tot hun recht te laten komen is een integraal archiefbeleid een eerste vereiste. Er is meer afstemming nodig tussen het beleid van de Minister van BZK ten aanzien van de overheidsinformatievoorziening en het beleid van de Minister van OCenW ten aanzien van de archieven als onderdeel van het cultureel erfgoed.
Het beleid van de Minister van OCenW beperkt zich te zeer tot het openbaar archiefwezen en zou zich nadrukkelijker moeten richten op het behoud, het beheer en de beschikbaarstelling van particuliere archieven. Onder de regie van de Minister van OCenW moet worden gewerkt aan een helder gestructureerd archiefbestel met voldoende sturingsmogelijkheden voor de Minister. Meer personele ruimte, betere arbeidsvoorwaarden en een afgewogen prioriteitstelling zijn nodig om de kerntaken adequaat te verrichten en tegelijk het beleid ten aanzien van digitalisering en vergroting van het publieksbereik uit te voeren.
Musea
Musea moeten duidelijke keuzes maken in wat ze doen en voor wie ze het doen, om zich van elkaar te onderscheiden en hun eigen identiteit te versterken. Door afstemming van collectiebeleid en programmering kunnen musea gezamenlijk komen tot een rijk geschakeerde, maar evenwichtige presentatie van de Collectie Nederland. Waar musea hun missie en doelstellingen duidelijk verwoorden en zich daarmee op een heldere wijze hebben geprofileerd, past een overheid op afstand.
Landschapsarchitectuur, Stedenbouw, Architectuur, Monumenten en Archeologie
Cultuurbeleid in de ruimtelijke ordening vereist een ontwikkelingsgerichte benadering. Dat vraagt van de rijksoverheid een integrale visie hoe met de grote ruimtelijke transformaties kan worden omgegaan. Het is van belang te definiëren wie welke rol mag en / moet vervullen en op welke schaalniveaus beleid moet worden aangevat. De rijksoverheid dient een stimulerende rol te vervullen en daarnaast adequate en consistente wet- en regelgeving te ontwerpen en vast te stellen opdat kwetsbare zaken kunnen worden beschermd en worden behouden. Kennisontwikkeling op het gebied van architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur, monumenten en archeologie dient sterker met elkaar in verband te worden gebracht. In praktische zin pleit de Raad voor snelle inwerkingtreding van het Verdrag van Malta, heroverweging / -formulering van doelstellingen van de Monumentenlijst en integratie van het architectuur- en Belvederebeleid.
Beeldende kunst en vormgeving
Het beeldende kunst-veld is vitaal, functioneert goed en kent een uitgebreide en fijnmazige infrastructuur. Om die vitaliteit te behouden, moeten instellingen blijven werken aan hun eigen professionaliteit, meer samenwerking en het vergroten van het rendement van hun activiteiten. Continuïteit en ontwikkeling zijn meer op hun plaats dan radicale beleidswijzigingen. Het geld voor beeldende kunst en vormgeving dat het rijk overhevelt, kan door provincies en gemeenten doordachter worden ingezet. Dat moet zorgvuldig en in overleg met de betrokken partijen gebeuren om afbraak van het bestaande te voorkomen. Het op het oog succesvolle terrein van de vormgeving wordt tot nu toe beleidsmatig onvoldoende geschraagd en gestimuleerd. De stichting Premsela moet daaraan, voldoende toegerust met mensen, middelen en verantwoordelijkheden, een belangrijke bijdrage leveren. De Raad ziet voordelen in minder regelgeving op details en enige vrije beleidsruimte bij het Fonds BKVB en de Mondriaan Stichting.
Dans
Er moet meer evenwicht komen tussen het dansaanbod, de (potentiële) vertoningsmogelijkheden van podia en de publieksvraag, in de eerste plaats door een betere afstemming tussen de bestuurlijk verantwoordelijke overheden (Rijk, provincies en gemeenten). Daar staat tegenover dat voor gezelschappen die met een wat moeilijker repertoire een belangrijke artistieke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de dans, de prestatie-eisen die het rijk oplegt versoepeld moeten worden. Een zekere mate van disbalans tussen aanbod, afname en publieksbereik is dus acceptabel. Verder dient de stedelijke en/of regionale positie van (rijksgesubsidieerde) dansinstellingen bij podia en publiek versterkt te worden.
Theater
De belangrijkste ontwikkelingen binnen de sector Theater zijn gecentreerd rondom twee thema\\\'s: 1. de afstemming van het theateraanbod op afname en vraag; 2. het aanbod van kleine zaal producties en de ontwikkeling en doorstroming van jong talent. Om een evenwichtig theateraanbod tot stand te brengen is betere onderlinge afstemming tussen de gezelschappen wenselijk en wordt van de gezelschappen gevraagd hun eigen artistieke en maatschappelijk opdracht te (her)formuleren. Tevens is het van belang dat er een betere afstemming en samenwerking tot stand komt tussen gezelschappen en schouwburgen en tussen overheden. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de hoeveelheid aanbod voor de kleine zaal en over de wisselende kwaliteit van de ad hoc producties. Producenten en subsidiënten van producties voor de kleine zalen worden opgeroepen tot \\\'minder maar beter\\\'. In dat verband pleit de Raad voor meer helderheid in de rolverdeling tussen de instanties die het ad hoc aanbod voor de kleine zalen mogelijk maken. Het gaat daarbij vooral om de positie van de werkplaatsen en de productiehuizen en de taken van het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten.
Muziek
De fricties tussen productie, afname en publieksbereik dienen de komende jaren een hoofdthema in het rijksbeleid voor de muzieksector te zijn. Daarbij zou een lagere productiedruk aan de aanbodkant ruimte kunnen creëren voor investeringen in de kwaliteit, betere promotie of muziekeducatieve activiteiten. Aan de afnamekant zal het nieuwe Fonds voor Podiumprogrammering samen met gemeenten een belangrijke rol spelen. Daarnaast zou de publieke omroep meer kunnen doen aan de programmering van hedendaagse muziek, met name (minder gekende) popmuziek, jazz- en geïmproviseerde muziek. Daarmee valt het publieksbereik sterk te vergroten.
Film
De stimuleringsmaatregelen die de overheid in 1999 in werking heeft gezet hebben nieuw elan in de Nederlandse filmwereld gebracht. Toch floreert het filmklimaat in Nederland onvoldoende. Kleinschaligheid, gebrek aan continuïteit, moeizame verhouding van de filmwereld met de omroep, verschraling van het aanbod in de filmtheaters, en weinig aandacht voor kwaliteit en innovatie zijn daar debet aan en bedreigen de culturele ontwikkeling van de sector. Behalve continuering van de stimuleringsmaatregelen pleit de Raad daarom onder meer voor een convenant tussen film en omroep, versterking van de vertoningssituatie en op termijn de oprichting van een sectorinstituut.
Media
Als gevolg van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen ondergaat het medialandschap ingrijpende belangrijke veranderingen. Overheidsbeleid dient zich hiervan rekenschap te geven. Verschuivingen op het terrein van de pers noodzaken tot een heroverweging van het verbod op investeringen door uitgevers in radio, televisie, internet en andere elektronische informatievoorziening (‘cross ownership’). Het feit dat de publieke omroep zijn taakopdracht niet bevredigend uitvoert, vraagt om aanscherping van het beleid – zonder te tornen aan de uitgangspunten van de Concessiewet en het Concessiebeleidsplan.
Omdat de omroepen zich te weinig van elkaar onderscheiden, wordt een omkering aanbevolen van de verhouding tussen NOS en omroepverenigingen: staan in de huidige regeling de omroepen maximaal 25 procent van hun geld af ten behoeve van het geheel, in de visie van de Raad zou in de toekomst het geheel een bepaald percentage van het geld en de zendtijd afstaan aan de omroepen op basis van een onderscheidende identiteit en een daarop gebaseerd aantoonbaar verschillend programma-aanbod. Ook wordt een helder en gezamenlijk cultuurpolitiek omroepbeleid bepleit en de uitvoering van het plan voor een themakanaal voor kunst en cultuur.
Letteren
Er is in de sector Letteren sprake van rijkdom: er bestaat een grote diversiteit aan boeken, er is sprake van kwaliteit, het aantal (potentiële) belangstellenden voor literatuur is verbreed, er is sprake van een unieke infrastructuur en de sector heeft veel mogelijkheden, ook in technologisch opzicht. Wil de rijke literaire cultuur kunnen blijven bestaan, dan zal in de komende periode op een aantal aspecten de aandacht gericht moeten blijven. • Diversiteit van het aanbod staat onder druk. Verschraling van het aanbod moet worden tegengegaan door aandacht voor afname (via onder meer literatuuronderwijs en leesbevorderingsbeleid) en aanbod (vaste boekenprijs, specifiek letterenbeleid). • Het boek moet zich in voortdurende concurrentie met andere media en tijdsbesteding handhaven. Het ingezette leesbevorderingbeleid, waarvan deels pas op langere termijn resultaat verwacht kan worden, moet voorgezet worden.
Bibliotheken
De Raad ziet voor de bibliotheken de volgende kernfuncties weggelegd: brede toegang tot informatie, ontwikkeling van lees- en informatie vaardigheden en een maatschappelijke c.q. ontmoetingsfunctie ter bevordering van de sociale cohesie. De bibliotheek is een publieke basisvoorziening die in principe door de overheid wordt bekostigd. Om deze kernfuncties optimaal uit te voeren, is het noodzakelijk dat het proces van bibliotheekvernieuwing doorgang vindt. Dit proces is weliswaar in alle delen van het land in gang gezet, maar dreigt te verzanden. Wat nodig is, is de wil om lokaal-regionaal samen te werken, extra middelen (van de rijksoverheid) en een strakkere regie op landelijk en provinciaal niveau. Voorts moet er meer samenwerking komen op het gebied van digitalisering en toepassing van ICT tussen de verschillende erfgoed-sectoren (met name archieven, audiovisuele diensten en musea) en het bibliotheekwerk, zowel openbaar als wetenschappelijk. Dit geldt voor de opslag, ontsluiting en beschikbaarstelling, op lokaal-regionaal en op landelijk niveau.
Amateurkunst
De lokale infrastructuur op het gebied van amateurkunst heeft tot taak om alle (potentiële) amateur-kunstenaars te bereiken en naar behoefte faciliteiten te bieden. Daartoe is het van belang dat de lokale infrastructuur zich voortdurend rekenschap geeft van kunstinhoudelijke en maatschappelijke ontwikkelingen om amateur-kunstenaars adequaat van dienst te kunnen zijn. De Centra voor de Kunsten zouden zich daarbij nog sterker kunnen profileren als dé centrale educatieve centra in hun regio. Daarnaast adviseert de Raad dat de steunfunctie-instellingen voor amateurkunst op landelijk niveau duidelijke keuzes maken voor taken en doelgroepen, zodat de inzichtelijkheid van hun activiteiten wordt vergroot. De landelijke steunfunctie-instellingen zouden daarbij moeten toewerken naar een (federatief) samengaan in een zogenoemd ‘Huis voor Amateurkunst’, waaraan ook lokale Centra voor Amateurkunst en wijkgebonden culturele knooppunten zich op enigerlei wijze kunnen verbinden. Ten aanzien van de landelijke infrastructuur op cultuureducatief gebied stelt de Raad een onafhankelijk en kritisch onderzoek voor naar het functioneren van de drie landelijke instellingen voor cultuureducatie na de herstructureringen die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden.