Copyright: David Heald
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: OMA
Copyright: David Heald
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: David Heald
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: Laurian Ghinitoiu
Copyright: OMA

Bantal: 'De coronacrisis laat zien hoe fragiel onze steden zijn'

17 juni, 17:10
Na maandenlang gesloten te zijn geweest voor het publiek, zal de tentoonstelling ‘Countryside. The Future’ in het Guggenheim Museum in New York binnenkort opnieuw zijn deuren openen. Daarnaast wordt er gewerkt aan een digitale tour voor iedereen die niet (meer) in staat is om de tentoonstelling te bezoeken. Een gesprek met Samir Bantal, directeur van AMO, over de tentoonstelling en hoe deze door de coronacrisis wellicht nog relevanter is geworden.

Hieronder is een ingekorte en licht bewerkte versie te lezen van het gesprek dat Architectenweb had met Samir Bantal. De volledige versie is te beluisteren als Architectenweb Podcast.

“Op de tentoonstelling hebben we goede reacties ontvangen”, begint Bantal. “Veel mensen benoemden dat er op verschillende fronten wel al discussies gevoerd werden, maar dat het voor het eerst allemaal bij elkaar gebracht werd. Ook interessant was dat mensen het goed vonden dat het Guggenheim Museum, dat normaal gesproken kunst laat zien, nu het denken rondom architectuur een podium geeft.

Op een bizarre, bijna profetische manier misschien, bleek de tentoonstelling twee weken na de opening nog relevanter te worden met de uitbraak van het coronavirus in de Verenigde Staten. Tijdens de opening hadden wij al door dat het eraan kwam… mensen waarmee we hadden samengewerkt aan de tentoonstelling, en die uit China kwamen, moesten eerst twee weken in quarantaine voordat ze naar het museum mochten komen. 

Gedurende de looptijd van de tentoonstelling hadden we verschillende symposia gepland. Het was mooi geweest als we het disruptieve van het coronavirus daar hadden kunnen bespreken…”

Hoe verbind jij het coronavirus met jullie onderzoek naar het platteland?

“Er zijn verschillende manieren waarop het virus aan het onderzoek te koppelen is. Een daarvan is dat we als maatschappij zo gefixeerd zijn om de hele planeet te doen werken voor de stad. Als consequentie daarvan zijn we constant ons territorium verder aan het uitbouwen, zonder werkelijk na te denken over de gevolgen daarvan.

Een onderzoek dat we tijdens ons eigen onderzoek tegenkwamen, en nog overwogen om in de tentoonstelling op te nemen, betrof deze griepvirussen. Je zou kunnen zeggen dat de Spaanse griep (waar onze ‘normale’ griep een afgeleide van is, red.) er een voorbode van was. Maar het gaat nu snel: HIV, SARS, MERS, Ebola. Allemaal virussen die hun oorsprong vinden in de wildernis, in de jungle, en waar de mens bijvoorbeeld door de ontbossing nu op stuit. Er is geen evolutionair traject dat eraan voorafgegaan is, het is direct een botsing. De mens wordt ineens blootgesteld aan een virus dat het niet kent. Met alle gevolgen van dien.

De onophoudelijk gegroeide steden, en ook de dorpen daaromheen, botsen op bepaalde momenten tegen iets dat dat misschien niet accepteert. Misschien is het wel de manier waarop de natuur, die denk ik nog een aantal wetten heeft die onze manier van leven overschrijden, tegen ons zegt ‘en tot hier’. Ik ben benieuwd hoe het verder zal gaan en welke lessen we hieruit kunnen leren. Wat voor effect heeft het op ons moderne leven?”

Zeker in Nederland is er denk ik wel een bewustzijn van dat het platteland ondertussen behoorlijk geïndustrialiseerd is en dat er nieuwe programma’s een plek krijgen. Maar tegelijkertijd hebben we ook hier denk ik nog wel een behoorlijk idyllisch beeld van het platteland. Een populair televisieprogramma als Boer Zoekt Vrouw benadrukt dat traditionele beeld ook nog sterk.

In jullie tentoonstelling en het bijbehorende boek laten jullie zien dat dat traditionele beeld van het platteland steeds verder af komt te staan van de werkelijkheid, omdat het platteland – wereldwijd – razendsnel aan het veranderen is. Het is veel sneller aan het veranderen dan onze steden. Hoe zou jij jullie bevindingen samenvatten?

“Er is inderdaad een verschil tussen de werkelijkheid van het platteland en het beeld dat we daarvan hebben. Terwijl de werkelijkheid heel snel beweegt, hebben wij nog steeds voornamelijk het nostalgische beeld voor ogen. En het betekent wellicht ook dat we als vakgemeenschap het platteland lange tijd genegeerd hebben, dat we geen onderdeel zijn geweest van de herinrichting ervan.

Wat ons trof was de statistiek van de Verenigde Naties, in 2007 meen ik, dat op dat moment meer dan 50% van de wereldbevolking in de stad leefde. Dat was voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid. In plaats van na te denken over wat dat betekende voor al die gebieden buiten de stad hebben wij ons, net als vele architecten, vooral gefocust op de stad. We ontwikkelden modellen en plannen waarmee de stad verder kon doorgroeien. Dat werd het onvermijdelijke toekomstbeeld: op een gegeven moment zou 80–90% van de wereldbevolking in de stad leven en later zou dat misschien wel 100% kunnen worden.

Ondertussen hebben we denk ik een aardig beeld van hoe die steden eruit komen te zien. Maar hoe komt het platteland er nu eigenlijk uit te zien? Dát is een vraag die nooit gesteld werd. Terwijl, en dat vonden wij zo interessant eraan, de vraagstukken die het meeste effect hebben op het leven in de stad op het platteland opgelost moeten worden: het energievraagstuk, onze onuitputtelijke honger naar data-opslag, migratie, voedselproductie, enzvoorts.

Al die elementen die het leven in de stad mogelijk maken, ons moderne leven daar, die worden helemaal niet opgelost ín de stad. Die worden opgelost op het platteland. Vandaar ons idee: we moeten onderzoeken wat daar gebeurd, aangezien het een domein is dat we vergeten zijn. En wellicht geeft ons dat antwoorden voor de opgaven die hebben, onder andere ook in de stad.”

Veel van de voorbeelden die jullie laten zien in de tentoonstelling gaan over hoe het platteland op een nieuwe manier productief wordt. Een aantal interessante voorbeelden daarvan komt uit China. Waarom is dat?

“In China beseffen ze zich dat de trek naar de stad niet altijd door kan blijven gaan, omdat de steden op een gegeven moment dan te groot worden. Daarom denken ze daar goed na over hoe ze mensen op het platteland kunnen houden. Dat doe je door de voordelen van het leven in de stad te delen met het platteland. 

En dat begint bij de economie, aangezien dat vaak de eerste reden is waarom in China mensen naar de stad trekken. En in die economie is een cruciale rol weggelegd voor het internet. Want door de aanleg van snel internet op het platteland wordt het mogelijk om productie vanuit de steden uit te besteden aan het platteland. Ook stel je daardoor boeren in staat om hun producten via het internet te verkopen. Dit is deels nog theorie, we moeten zien hoe zich dit verder ontwikkeld. Maar in het beste geval betekent het dat je op het platteland volgens de economische principes van de stad kunt leven.

Alibaba, de Chinese Amazon, traint boeren om hun eigen e-commerce op te zetten. En zo zie je dat dorpen die ver van de stad liggen ineens transformeren tot productiedorpen of logistieke hubs en daarmee de trek naar de stad onnodig maken.”

In de tentoonstelling laten jullie zien dat bepaalde apps daarbij heel belangrijk kunnen zijn. Een voorbeeld daarvan is de app TaoBao, waarmee consumenten direct van producenten hun meubels kopen. Er zijn dorpen die zich daar succesvol in gespecialiseerd hebben.

“Een van de bekendste producten op TaoBao is een soort stapelbed. Een wat vreemde vorm voor een bed in China, maar het is een hit, en het dorp dat dat bed ontwikkeld heeft en zich gespecialiseerd heeft in de productie ervan, dat profiteert nu ook het meeste van het succes ervan. (Doordat de consumenten in direct contact staan met de producenten, kunnen ze eenvoudig ook speciale wensen voor bijvoorbeeld hun bed doorgeven, red.)

Net zo zijn er ook consumenten in de stad die in direct contact staan met boeren en als het ware via hun mobiel de appels of watermeloenen selecteren die ze willen. Die worden dan de dag erop afgeleverd. Dat zijn natuurlijk hele interessante modellen, omdat het de afstand tussen koper en verkoper enorm verkort.”

Ik vind het fascinerende voorbeelden. Ook in Europa, en nog sterker in de Verenigde Staten, speelt de vraag: moeten we wel snel internet aanleggen op het platteland en op welke manier moeten we dat doen? In Afrika speelt die vraag op een nog grotere schaal. Netwerkbedrijven vinden het niet snel rendabel. Maar wat als er vanuit overheidswege wel in geïnvesteerd zou worden? Als we alleen al aan het Franse platteland denken. Dit soort digitale infrastructuur en digitale tools kan het platteland juist nieuw perspectief bieden.

“Dat is denk ik het belangrijkste: het bieden van nieuw perspectief. Hiermee kun je een nieuwe balans creëren, die de stad in staat stelt om een betere stad te zijn en die het platteland in staat stelt om een beter platteland te zijn.”

Een ander voorbeeld is TRIC – het Tahoe Reno Industrial Center – net buiten de stad Reno in het noordwesten van de Amerikaanse staat Nevada. Daar in de woestijn zijn enorme gebouwen gerealiseerd voor de technologiebedrijven uit Silicon Valley. Gigantische gebouwen waar nauwelijks mensen werken, met ook bijna geen ramen. In jullie boek schrijft Rem Koolhaas het volgende erover:

“It is post-human. There has been no architecture of a similar vigor in the last 100 years. It is based strictly on codes, algorithms, technologies, engineering, and performance, not intention. Its boredom is hypnotic, its banality breathtaking.” 

Jij bent er met Rem geweest. Hoe ervaarde jij die plek?

“Het is een surrealistische omgeving. De tekeningen van Superstudio die realiteit zijn geworden, als het ware. In een prachtig landschap staat er dan ineens een witte doos. En die witte doos, daarin herken je eigenlijk geen deuren, openingen, of wat dan ook. Daarmee is de menselijke schaal verdwenen, wat nog versterkt wordt door de grootte ervan. Een extreem geabstraheerde architectuur.

Als je dan over het hele industrial center kijkt, dan zie je dat er een stedenbouw op losgelaten is zonder ontwerp. Er ligt puur een economisch model aan ten grondslag. Het betekent ook dat er een clash ontstaat tussen de natuur, waarin je nog letterlijk wilde mustangs ziet rondlopen, en de hypermoderne technologie die het bedrijf van Elon Musk daar ontwikkelen.

Op andere plekken zie je datacentra met een soort olievlek aan beveiliging eromheen. Dus met een maaiveld dat met grote keien onbegaanbaar gemaakt is. Met veel prikkeldraad. Met enkele zwaarbewapende mannen die iedereen die dichterbij komt weer de deur wijzen. Als je dan ziet wat daar gehuisvest wordt. Een groot deel van onze digitale beleving heeft daar een plek. Het zijn de datacentra van Facebook, Google, etcetera. Dat zijn de plekken waar de cloud zich manifesteert. Dat vond ik een hele interessante gewaarwording.”

Voor architecten is het ook een verontrustend idee: gebouwen waar machines de hoofdbewoners zijn en mensen eigenlijk bijzaak zijn. In de geschiedenis op zich geen uniek fenomeen, maar de schaal waarop deze gebouwen nu verschijnen is wel ongekend. Ook in Nederland verschijnen ze, heel ver weg in Delfzijl, maar ook dichterbij aan de ringweg A10 in Amsterdam. 

Hoe zouden we hier wat jou betreft mee om moeten gaan? Moeten we blijven proberen om ze te humaniseren, om architecten er aan tafel te krijgen, om er toch wat traditie en contextualiteit in te brengen? Of moeten we de abstractie van Superstudio maar leren waarderen?

“Dat is een interessante vraag. Technologie heeft altijd een dienende rol gehad, het diende ons als mens. Wij hebben er daarom ook altijd onze eigen normen, bijvoorbeeld wat betreft schoonheid, op losgelaten. Nu zie je iets omgekeerds ontstaan. De technologie is een op zichzelf staande entiteit geworden. Met een eigen schoonheid. Of je het dan mooi of lelijk vind is dan nog een tweede vraag.

Moeten wij die technologie nog steeds ontwerpen? Of stellen wij de technologie in staat om zichzelf te ontwerpen? Zijn er niet al algoritmes ontwikkeld die een efficiënter gebouw kunnen ontwerpen dan dat wij dat zouden kunnen doen?”

In een gesprek dat ik vorig jaar met Robert Mulder had over het ontwerp van distributiecentra ging het hier ook even over. Een van de antwoorden die hij gaf was dat je op een gegeven moment ook iets moet doen om deze gebouwen beter in te bedden in het landschap. Dan gaat het dus eigenlijk over wat er buiten deze gebouwen gebeurd, dat daar een ontwerpopgave ontstaat, in plaats van bij de gebouwen zelf.

“Dat is een interessante gedachte, maar ik weet niet of ik het daar helemaal mee eens ben. Als ik terugdenk aan hoe dicht de realiteit nu bij de tekeningen van Superstudio komt, dan zit daar op zichzelf ook een bepaalde schoonheid in, een absoluut soort schoonheid.

In ons onderzoek kwamen we ook wat anders op het spoor en dat was de mogelijkheid om deze gebouwen te combineren met andere typen gebouwen, waardoor er mogelijk hele nieuwe gebouwtypologieen zouden kunnen ontstaan. In hetzelfde gebied zijn we, min of meer bij toeval, betrokken geraakt bij het ontwerp van een museum. Wat ons daarbij trof was dat de vraagstelling met betrekking tot kunst bijna identiek is aan de vraagstelling rond bijvoorbeeld databeheer. Kunst moet, net als data, in een extreem gereguleerde omgeving bewaard worden: het moet niet te warm worden, niet te koud, niet te vochtig, er mogen geen trillingen zijn… alles moet vooral heel constant zijn. Omdat het programma van eisen van het museum zo lijkt om dat van een datacentrum, hebben wij voorgesteld… zou je het niet letterlijk bij elkaar kunnen brengen? Kunst is in die vorm misschien ook data. En data is misschien ook kunst.

In de kop van Noord-Holland ligt Agriport. Daar staan een aantal van de grootste kassen van Nederland bij elkaar. Maar Microsoft heeft er ook een datacentrum. Daar zie je dat de architectuur van de landbouw en de architectuur van de datacentra erg overeenkomen. In het geval van Agriport wordt de synergie opgezocht, daar wordt de warmte uit het datacentrum ingezet in de kassen. Zo sluiten totaal verschillende gebouwtypologieen daar toch op elkaar aan.”

In een onderzoek dat architect Florian Idenburg van SO-IL met studenten gedaan heeft naar de werkomgeving kwam hij op het Amerikaanse platteland een gemeenschap tegen rond een onderzoeksinstelling van een grote glasfabrikant. Die onderzoekers hadden op het platteland een plek gevonden voor ultieme concentratie, weg van de verleidingen en afleidingen van de stad.

In jullie onderzoek kwamen jullie de Franse denker Charles Fourier tegen die begin negentiende eeuw opperde om gemeenschappen van zo’n 1.600 mensen te stichten op het platteland. Al die mensen konden samen in één groot gebouw wonen, in een collectief paleis als het ware. 

Later is zoiets door de Franse ondernemer Jean-Baptiste Godin daadwerkelijk in de Noord-Franse stad Guise gebouwd. Voor de arbeiders van een fornuizenfabriek zijn daar drie grote gebouwen gerealiseerd met ruime appartementen. Voor de kinderen was er gratis opvang en onderwijs, zodat ook de vrouwen konden werken als ze dat wilden. Er was een gratis zwembad, er was ruimte voor cultuur in de avonduren. En dat alles zonder reistijd. Dat zijn toch initiatieven waar we ons beter in zouden kunnen verdiepen, niet?

“Ja, dat denk ik wel, en daarom zit het ook in de tentoonstelling. Als je naar onze stedenbouw kijkt, dan zie je dat we eigenlijk maar één model hebben ontwikkeld: het model van concentratie. Dat volgt uit een economisch model. Maar er zijn wel degelijk alternatieven en het model van Fourier laat zien dat emancipatie en feminisme onder andere daar hun oorsprong hadden. Het was een interessante ontdekking dat een andere vorm van samenleven zoiets kon voortbrengen.

Het interessante aan Fourier is ook dat hij zowel de stad als het platteland haatte. Beide vond hij maar niks. Daarom ontwikkelde hij een model dat er tussenin zit. Gek genoeg zijn we als vakgemeenschap en als maatschappij niet in staat gebleken het als een volwaardig model overeind te houden.

Bij de gemeenschappen die hij voor zich zag, de Familistères, had Fourier een maximum aantal bewoners gedefinieerd, tussen de 1.600 en 2.000. Op het moment dat dat maximum bereikt werd, werd de gemeenschap niet verder uitgebreid, maar werd een volgende Familistère opgericht, met een nieuwe concentratie van werk, voedselproductie, en dergelijke, eromheen. Op die manier kon groei gerealiseerd worden zonder de negatieve effecten van congestion.”

Als je kijkt naar de hoeveelheid verkeersbewegingen die er in Nederland voor de coronacrisis iedere week plaatsvonden, alleen al om van en naar het werk te komen. Een situatie die in de Verenigde Staten nog extremer was. We moeten zien hoe dat in de komende periode zal terugveren. Maar een model waarin wonen en werken dichter bij elkaar zou liggen, heeft in dat perspectief toch zeker ook zijn charme. Het is een fascinerend alternatief voor stedelijke bewoning.

“Ik denk ook dat de fascinatie voor concentratie hier een veel beter effect had, omdat het met een vorm van samenleven te maken had. In plaats van dat het enkel om de concentratie zelf ging.”

Eind februari opende de tentoonstelling in het Guggenheim Museum in New York. Even later moest het museum vanwege de coronacrisis alweer zijn deuren sluiten. Hoe frustrerend was dat voor jou?

“We hebben natuurlijk vijf jaar aan de tentoonstelling gewerkt, dus als hij dan twee weken te zien is, dan is dat natuurlijk niet fijn. Maar het maakt de tentoonstelling eigenlijk nog relevanter. De coronacrisis laat namelijk zien hoe fragiel onze steden zijn. En vooral ons moderne leven. De stad kan, op zichzelf, wel overleven, maar het kost enorm veel moeite. Dat vind ik een interessante uitkomst van deze crisis.

De tentoonstelling wordt zodra het weer kan heropend, dat zal in juli of augustus zijn, met alle restricties rond het aantal bezoekers die daar dan bij zullen horen. Wij werken op dit moment aan een virtuele tour die iedereen, die de tentoonstelling niet meer kan bezoeken, in staat moet stellen om de tentoonstelling alsnog te beleven, zelfs met misschien wat extra diepgang en begeleiding als het ware.”

Ik begreep dat de tentoonstelling ook op andere plekken te zien zal zijn. Kun je daar al iets over zeggen? Komt hij ook naar Europa? 

“Ja, daarover zijn verschillende gesprekken gaande, bijvoorbeeld met ‘t HEM, maar veel hangt af van hoe snel deze coronacrisis voorbij is. Hoe dan ook gaat de tentoonstelling naar architectuurcentrum Arc en Rêve in Bordeaux, wat interessant is, omdat twintig jaar geleden daar een tentoonstelling over de stad getoond is, Mutations. 

Buiten Europa is er ook interesse om de tentoonstelling in Azië te laten zien, en ook in Afrika.”

Wat hoop je, om af te sluiten, wat bezoekers meenemen van de tentoonstelling?

“Dat ons leven in de stad verbonden is met het leven op het platteland. Dat het niet twee losse componenten zijn, maar dat die twee sterk met elkaar verweven zijn. En dat, willen we een duurzame toekomst hebben in de stad, we beter moeten kijken hoe we met het platteland omgaan.”

Andere nieuwsberichten

Distributiecentrum met gestapelde functies voor Schiphol Trade Park

Gisteren, 14:12

Renovatie en uitbreiding gemeentehuis Alblasserdam voltooid

Gisteren, 12:26

Winnaars Arie Keppler Prijs 2020 bekend

Gisteren, 10:55

Ruimtelijke en ingetogen herdenkingsplek te midden van de natuur

26 november, 5:40

Utrecht bouwt vooral binnenstedelijk en rond ov-knooppunten

Gisteren, 09:38

Minister: miljarden nodig om Nederland bereikbaar te houden

Gisteren, 09:10

Windmolenbranche en kritische omwonenden eens over gedragscode

26 november, 1:38

Lezing Larry Beasley: geloof in de stad

26 november, 12:51

Onderzoeksraad: stel controle constructie grote gebouwen verplicht

25 november, 2:00

'Bedrijven willen kantoorruimte op juiste plek'

25 november, 9:17
Michiel van RaaijHoofdredacteur
Reynaers B.V.
Jansenbyods
Hagemeister GmbH & Co. KG
ALUCOBOND®
Tarkett BV
Wicona
Kawneer
Pittsburgh Corning Nederland B.V. (FOAMGLAS)
OCS | Office Cabling Systems
Forster
Balink Glas & Aluminium BV
Sempergreen
Aluprof Nederland BV
Intal BV
QbiQ Wall Systems
Forbo Flooring
iGuzzini
AGC Nederland Holding B.V.
Cedral
Sto Isoned bv
Triflex bv
Gorter Luiken B.V.
Foreco Dalfsen
Wienerberger B.V.
AluK Aluminium b.v.
Zoontjens
Duco Ventilation & Sun Control
IsoBouw Systems bv
ROCKWOOL B.V.
Master Builders Solutions Nederland B.V.
Van Bruchem Staircases
Rockfon (ROCKWOOL B.V.)
Gira Nederlands B.V.
Rockpanel
GEZE Benelux  B.V.
Renson
Metaglas
VELUX Nederland B.V.
Jung | Hateha B.V.
Saint-Gobain Building Glass Benelux
objectflor
Boon Edam Nederland B.V.
Forbo Eurocol Nederland B.V.
EQUITONE gevelpanelen
Plastica Groep
Holonite B.V.
OWA Benelux BV
FALK Bouwsystemen
Serge Ferrari
Alsecco
Tata Steel's Colorcoat®
Mobelli Soft Seating- True Design
Annuleren
OK
Sluiten
Doorgaan
Inloggen
Maak een gratis persoonlijk account aan